Smeehuijzen: het Dutch Protocol is geen veilige haven voor de arts
In een aansprakelijkheidsclaim na transitieschade ligt de norm vast in de WGBO: de arts moet handelen als een goed hulpverlener (art. 7:453 BW), in overeenstemming met de professionele standaard. Die standaard wordt in de regel ingevuld door geldende protocollen. Behandelaars die zich tegen een claim verweren wijzen naar het Dutch Protocol — "ik volgde de richtlijn". Volgens VU-hoogleraar privaatrecht Lodewijk Smeehuijzen en zijn co-auteurs Smids en Hoekstra biedt dat verweer geen bescherming. In NJB 2023/25 zetten zij uiteen waarom het protocol de juridische rol die het in een claim zou moeten spelen, niet kan dragen.
Wat een protocol moet leveren om de arts te dekken
Voor een rechter die de zorgvuldigheid van de behandelaar toetst, is een protocol pas leidend wanneer het zelf op orde is. Smeehuijzen c.s. formuleren drie eisen. Het protocol moet evidence-based zijn — gestoeld op deugdelijk wetenschappelijk bewijs voor werkzaamheid en veiligheid. Het moet een beperkte medisch-ethische lading hebben — anders kan een schema de morele afweging van de behandelaar niet vervangen. En het moet via een adequaat proces tot stand zijn gekomen — met onafhankelijke toetsing, transparantie en ruimte voor tegenspraak. Pas wanneer alle drie zijn vervuld, mag de rechter het protocol overnemen als maatstaf voor goed hulpverlenerschap.
Drie eisen, drie keer onvoldoende
De auteurs lopen de drie eisen voor het Dutch Protocol langs en komen tot dezelfde uitkomst. De evidentiebasis bestaat uit een handvol observationele studies uit Amsterdam, met kleine aantallen, uitval en zonder controlegroep — systematische reviews in het buitenland hebben die bewijslast inmiddels als zwak gekwalificeerd. De ethische lading is niet beperkt maar juist maximaal: onomkeerbare ingrepen bij minderjarigen die de eigen toekomst nog niet kunnen overzien. En het totstandkomingsproces verliep binnen een kleine kring betrokkenen in één centrum, zonder de externe controle die bij een behandeling van deze ingrijpendheid past. Geen van de drie pijlers houdt stand.
Wat dat betekent in een aansprakelijkheidszaak
Het verweer "ik handelde conform het Dutch Protocol" verschuift in de juridische analyse van dekkingsschild naar bewijspositie. Als het protocol niet voldoet aan de eisen om als norm te gelden, neemt het de zorgvuldigheidsbeoordeling niet over: de rechter moet die zelfstandig invullen. In dat zelfstandige oordeel weegt mee dat de evidentiebasis zwak is — wie een onomkeerbare ingreep verricht op grond van bewijs van lage kwaliteit, heeft een verzwaarde motiveringsplicht jegens de patiënt. Het beroep op het protocol verzwakt het verweer eerder dan het sterkt.
Voor de informatieplicht uit art. 7:448 BW is de gevolgtrekking even concreet. Wie aan een dertien- of veertienjarige puberteitsremmers voorschrijft op grond van onderzoek dat elders is afgewezen als ontoereikend, moet die onzekerheid zelf overdragen aan patiënt en ouders. Dat het protocol de onzekerheid wegmasseert ontslaat de arts daar niet van. Hoe dat doorwerkt is uitgewerkt in het informed-consent-leerstuk.
Het internationale beeld werkt door in de norm
De auteurs wijzen erop dat verschillende Europese landen zich uit op het Dutch Protocol gebaseerde behandeling terugtrekken. De Cass Review leidde in het Verenigd Koninkrijk tot sluiting van de Tavistock-kliniek en tot terughoudendheid met puberteitsremmers; Karolinska in Zweden zette de behandeling buiten onderzoeksverband stil. Voor de Nederlandse rechter is dat juridisch niet bijkomstig. De professionele standaard is internationaal van karakter; wanneer toonaangevende gezondheidssystemen de behandeling afbouwen vanwege ontoereikende onderbouwing, kan een Nederlandse behandelaar zich steeds minder beroepen op een protocol dat in die landen is verlaten.
De tweede analyse: het adviesorgaan zelf
In een vervolgstuk verlegt Smeehuijzen de blik van het protocol naar de regulering. In NJB 2025/2811 onderzoekt hij of de advisering van de Gezondheidsraad over puberteitsremming bij minderjarigen voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid: commissiesamenstelling, belangenverstrengeling en het bredere reguleringsklimaat. De lijn van beide stukken sluit aan: de institutionele waarborgen die deze ingreep zouden moeten dragen, blijken bij toetsing niet sluitend. Voor een claim betekent dat dat ook het beroep op "de Gezondheidsraad zegt het" de behandelaar minder dekt dan op het eerste oog lijkt.
Wat dit praktisch betekent voor wie een claim overweegt
De analyse van Smeehuijzen c.s. is voor gedupeerden van transitiezorg geen sluitend juridisch oordeel — die uitspraak doet alleen de rechter — maar wel een gezaghebbend argument dat de gebruikelijke verdedigingslinie van klinieken verzwakt. Wie een claim opbouwt, zal het Dutch Protocol moeten ontmantelen als veronderstelde norm: laten zien dat de bewijspositie zwak is, dat de ethische lading bij een onomkeerbare ingreep bij een minderjarige maximaal is, en dat het protocol in het buitenland inmiddels wordt verlaten. Smeehuijzen c.s. leveren daarvoor de juridische bouwstenen aan. Zie verder medische aansprakelijkheid en het stappenplan voor een claim.
Bekijk het stappenplan voor een claim
Stappenplan claimBronnen
- J.L. Smeehuijzen, J. Smids & C. Hoekstra, "Transgenderzorg aan kinderen. Juridische bedenkingen bij het Dutch Protocol (2018)", NJB 2023/25, 20 juli 2023. njb.nl.
- J.L. Smeehuijzen, "De Gezondheidsraad en het reguleringsklimaat rond puberteitsremming bij minderjarigen", NJB 2025/2811, afl. 40, 9 januari 2026. njb.nl.
- Auteurspagina J.L. Smeehuijzen, Nederlands Juristenblad. njb.nl/auteurs.